Prinsjesdagspecial 2014

RB Prinsjesdagspecial 2014

 

Prinsjesdag: fiscale maatregelen 2015 naar Tweede Kamer

Op de 200e Prinsjesdag, dinsdag 16 september 2014, werden de Miljoenennota, de Rijksbegroting en het Belastingpakket voor 2015 aangeboden aan de Tweede Kamer. In zijn (tweede) troonrede gaf Koning Willem-Alexander aan dat volgend jaar geen nieuwe bezuinigingen nodig zijn en voor ongeveer € 1 mld aan eerder voorgenomen lastenverzwaringen voor burgers niet hoeft te worden doorgevoerd, omdat het overheidstekort in 2015 naar verwachting daalt tot 2,2%. Ook kondigde de Koning aan dat de regering voor de langere termijn werkt aan een herziening van het belastingstelsel. De doelstelling daarvan is tweeledig: een forse vereenvoudiging en het stimuleren van werkgelegenheid. Dat laatste kan door de lasten op arbeid te verlagen. De inzet van de regering is dat hierdoor de baankans van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt groeit en dat iedereen die werk vindt, er ook echt op vooruitgaat. Voor kleine ondernemers wordt het aantrekkelijker om mensen in dienst te nemen.

 

In de Rijksbegroting en Miljoenennota zijn enkele beleidsvoornemens met betrekking tot de Belastingdienst opgenomen.

 

De fiscale maatregelen voor 2015 zijn opgenomen in de volgende twee wetsvoorstellen:

1.   Belastingplan 2015.

2.   Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen.

 

Verder heeft de staatssecretaris de brief "Keuzes voor een beter belastingstelsel" aan de Tweede Kamer aangeboden.

Ministerie van Algemene Zaken 16-9-2014

 

 

Miljoenennota en Rijksbegroting 2015

In de Miljoenennota en Rijksbegroting, en met name de paragraaf over de Brede agenda voor de Belastingdienst in de begroting van het ministerie van Financiën, zijn de volgende beleidsvoornemens met betrekking tot de Belastingdienst opgenomen:

 

  • Op grond van de ervaringen met het Belastingplan 2015 zal de in de Brede agenda genoemde uitvoeringstoets nieuwe stijl op nieuwe wetgeving verder worden ontwikkeld. De uitvoeringstoets nieuwe stijl kenmerkt zich door integraliteit (maakbaarheid van benodigde systemen, inpasbaarheid in het bredere stelsel, begrijpelijkheid voor burgers en bedrijven, handhaafbaarheid en fraudebestendigheid, impact op dienstverleningskanalen, gevolgen in de keten en kosten), door openbaarheid en door een beter inzicht in de uitvoeringskosten.
  • Vanaf 1 oktober 2014 bepaalt de ICT-ontwikkelagenda de aanpak van de ICT die de massale processen van de Belastingdienst ondersteunt. Vanuit de huidige situatie van kwetsbare massale processen wordt stapsgewijs en gecontroleerd gewerkt aan het robuust maken van deze processen. Het onderzoek, in samenwerking met externe deskundigen, naar een andere aanpak van de massale processen van de Belastingdienst wordt in 2015 afgerond.
  • In 2014 zijn nieuwe instrumenten ingevoerd op het gebied van de verbetering van de communicatie binnen de Belastingdienst zelf, maar ook in relatie tot burgers en bedrijven. Op basis van de resultaten hiervan wordt in 2015 de communicatiefunctie binnen de Belastingdienst definitief ingericht. Daarbij gaat het onder andere om uitbreiding van de Fiscale Monitor, om het communicatiekanaal binnen de Belastingdienst om signalen van medewerkers sneller naar boven te krijgen en om de inzet van de sociale media.
  • Vanaf het najaar van 2014 wordt een nieuwe set prestatienormen voor de Belastingdienst beproefd. Deze set wordt in 2015 definitief vastgesteld.
  • De Belastingdienst komt met een webpagina die voor burgers en bedrijven relevante informatie bevat over de actuele stand van een proces of over te verwachten ontwikkelingen in een proces.

 

 

Verder is in de beleidsartikelen van de begroting van het ministerie van Financiën nog het volgende opgenomen:

 

  • Het streven is om in 2015 aan de vooringevulde aangifte 2014 de gegevens van kapitaalverzekering box III en waardedepots box III toe te voegen.
  • Voor particulieren wordt naast de huidige manier van aangifte doen (via het downloaden van een aangifteprogramma) een online aangifte ontwikkeld.
  • In 2015 wordt de mogelijkheid gebruik te maken van het digitale kanaal uitgebreid met het nieuwe webportal MijnBelastingdienst. Daarmee wordt geleidelijk steeds meer inzicht gegeven in de stand van aangiften, aanvragen, betalingen etc.
  • In 2015 en 2016 vindt uitbreiding plaats van Standard Business Reporting (SBR) naar alle inkomende en uitgaande informatiestromen tussen fiscaal dienstverleners en (grote) ondernemingen en de Belastingdienst.
  • Verdere digitalisering maakt het mogelijk om op langere termijn de taak van de Belastingtelefoon te veranderen: wanneer het antwoord op statusvragen steeds vaker kan worden gevonden in de portalen (MijnToeslagen, MijnBelastingdienst) komt capaciteit vrij zodat de Belastingtelefoon zich van callcenter naar een servicecenter ontwikkelt.
  • Gelet op de omvang van het aantal bezwaarschriften en het gegeven dat steeds vaker massaal bezwaar wordt ingediend is de norm van voorgaande jaren (95–100%) in de praktijk niet haalbaar. Het bezwarenproces van Belastingen kent de nodige piekmomenten gedurende het jaar. Het bezwaarproces wordt geconcentreerd op een aantal locaties in het land om de bezwaren beter en sneller af te handelen.

 

Miljoenennota en Rijksbegroting 2015 

 

belastingplan 2015 

Het pakket Belastingplan dat andere jaren soms uit vier of meer wetsvoorstellen bestond is dit jaar beperkt tot uitsluitend het wetsvoorstel Belastingplan 2015. In het Belastingplan 2015 zijn naast de maatregelen als gevolg van de koopkrachtbesluitvorming alleen de maatregelen opgenomen die voortvloeien uit politieke afspraken die per 1 januari 2015 in werking moeten treden. De meer technische maatregelen die op 1 januari 2015 in werking moeten treden zijn dit jaar ook ondergebracht in het wetsvoorstel Belastingplan 2015. De maatregelen die niet noodzakelijkerwijs per 1 januari 2015 in werking hoeven te treden en die ook geen bijdrage leveren aan vereenvoudiging zullen worden opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2015 dat in het voorjaar van 2015 zal worden ingediend bij de Tweede Kamer. Dat wetsvoorstel zal om die reden dan ook een meer inhoudelijk karakter krijgen dan andere jaren. Het door de staatssecretaris in het Belastingplan 2015 aangekondigde wetsvoorstel Wet invoering Beschikking geen loonheffingen (VAR-webmodule) is nog niet bekendgemaakt.

 

De maatregelen treden in werking per 1 januari 2015, tenzij anders aangegeven, en zijn ingedeeld naar belastingsoort.

 

 

Inkomstenbelasting

 

Tarieven

 

  • Het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting wordt in 2015 verhoogd van 36,25% tot 36,5%. Deze verhoging is minder groot dan in het Belastingplan 2014 was voorzien (een stijging tot 36,76%). De eerder voorziene verhoging van het tarief in de eerste schijf met 0,06%-punt per 1 januari 2016 tot 36,56% blijft gehandhaafd. De tarieven in de overige belastingschijven wijzigen niet.
  • Na inwerkingtreding van de Wet langdurige zorg wordt het tarief in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting met 3%-punten verhoogd. Dit is een compensatie voor de lagere premie voor de verzekering langdurige zorg, die de AWBZ vervangt.

 

 

Algemene heffingskorting

Het maximum van de algemene heffingskorting wordt verhoogd van € 2.103 naar € 2.203 en het minimum wordt verlaagd van € 1.366 tot € 1.342. Het afbouwpercentage wordt met 0,32%-punt verhoogd tot 2,32% voor 2015 en tot 3,32% voor 2016. Het inkomenstraject waarover wordt afgebouwd, verandert niet.

 

Tijdsevenredige toekenning heffingskorting

In verband met de vervanging per 1 januari 2015 van de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen door de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen kan de heffingskorting tijdsevenredig worden toegekend voor de periode waarin de belastingplichtige binnenlandse of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Deze maatregel gaat per 1 januari 2016 in. Als overgangsmaatregel wordt in 2015 de gehele heffingskorting toegekend aan personen die slechts een deel van het jaar binnenlandse of kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen zijn.

 

Arbeidskorting

De maximum arbeidskorting gaat van € 2.097 naar € 2.220 en de minimale arbeidskorting wordt verminderd van € 367 tot € 184. Het afbouwpercentage blijft onveranderd op 4%, maar de afbouwgrens wordt in 2015 verhoogd van circa € 41.300 naar circa € 49.900, in 2016 van circa € 42.200 naar circa € 50.300 en in 2017 van circa € 43.200 naar € 51.100. Het einde van het afbouwtraject ligt in 2015 bij een inkomen van circa € 100.800 in plaats van € 92.200.

 

 

Ouderenkorting

Met ingang van 2016 wordt de ouderenkorting met € 83 verlaagd. De ouderenkorting komt in 2016 voor belastingplichtigen met een inkomen tot circa € 36.200 uit op circa € 970 en voor belastingplichtigen met een hoger inkomen op circa € 70.

 

Afschaffing ouderentoeslag box III

De verhoging van het heffingvrije vermogen van maximaal € 27.984 in box III voor ouderen met een inkomen in box I van maximaal € 19.895 en een grondslag sparen en beleggen in box III van maximaal € 279.708 per belastingplichtige (de ouderentoeslag) wordt met ingang van 1 januari 2016 afgeschaft.

 

Woningmarktmaatregelen

 

  • De maximale periode voor de aftrek van rente op restschulden wordt verlengd van 10 naar 15 jaar.
  • De verlenging van de termijn van de renteaftrek voor de leegstaande, te koop staande voormalige eigen woning of een leegstaande toekomstige eigen woning (geïntroduceerd in 2011) wordt structureel gemaakt. De termijn voor deze verhuisregelingen blijft dus drie jaar.
  • De verlenging van de regeling herleving van de hypotheekrenteaftrek na verhuur van een voormalige eigen woning (geïntroduceerd in 2010) wordt structureel gemaakt. Hierdoor blijft het mogelijk om de te koop staande woning te verhuren zonder toepassing van de bijleenregeling en kan de renteaftrek na de periode van verhuur voor de volle omvang herleven voor het restant van de periode waarin de verhuisregeling van toepassing is.

 

 

Aanpassing afbouw kindgebonden budget

Het afbouwpercentage van het kindgebonden budget wordt verlaagd van 7,6 naar 6,75. Hierdoor ontvangen ouders met een inkomen tussen € 19.767 en de bovengrens meer kindgebonden budget.

 

Oudedagsvoorzieningen

 

  • Om te voorzien in inkomen bij arbeidsongeschiktheid, wordt het mogelijk (bijvoorbeeld voor ZZP'ers) een lijfrente (gedeeltelijk) eerder op te nemen zonder dat revisierente wordt verschuldigd. De regeling geldt alleen bij langdurige arbeidsongeschiktheid, als de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet is bereikt en bovendien wordt een maximum gesteld aan het op te nemen bedrag. De ontvangen afkoopsom behoort wel tot het box I-inkomen. Bij gedeeltelijke afkoop van de lijfrente blijft het restant onder het lijfrenteregime van box I vallen.
  • Bij een (gedeeltelijke) afkoop van een nettolijfrente wordt alsnog een bedrag in box III in aanmerking genomen. Dit bedrag is een forfaitaire benadering van het genoten box III-voordeel, te weten de helft van de aanspraak op de nettolijfrente aan het begin van het kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. Er komt wel een tegenbewijsregeling.
  • In box III wordt onder voorwaarden een afzonderlijke vrijstelling voor arbeidsgerelateerd (tweedepijler) nettopensioen opgenomen. Dit kan gaan om netto-ouderdomspensioen, nettopartnerpensioen of nettowezenpensioen en deze moeten tijdsevenredig worden opgebouwd op basis van een beschikbarepremieregeling.
  • Aanspraken op grond van een nettopensioenregeling worden vrijgesteld van erfbelasting.

 

 

Uitsluiting aftrek buitenlandse boeten

Buitenlandse geldboeten worden uitgesloten van aftrek in de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Om te voorkomen dat buitenlandse boeten als eindheffingsbestanddeel kunnen worden aangewezen en bij de werknemer niet kunnen leiden tot belastingheffing, wordt ook de loonbelasting aangepast.

 

 

RDA

Het budget voor de Research & Development Aftrek (RDA) bedraagt in 2015 € 238 mln. Naar verwachting kan daarmee de RDA op 60% worden gehandhaafd. Eind 2014 wordt het definitieve RDA-percentage bij ministeriële regeling vastgesteld.

 

 

Vennootschapsbelasting

 

Tier 1 voor verzekeraars

Aanvullende tier 1-kapitaalinstrumenten die worden uitgegeven door verzekeraars, worden voor de vennootschapsbelasting vanaf 2015 behandeld als vreemd vermogen, net als bij banken.

 

 

Loonheffing

 

S&O-afdrachtvermindering

Het budget voor de S&O-afdrachtvermindering bedraagt in 2015 € 794 mln. De tarieven in de eerste schijf van 35% (voor starters: 50%) en de tweede schijf van 14% blijven daarom hetzelfde. Ook de loongrens voor de eerste schijf kan worden gehandhaafd op € 250.000. Het plafond van € 14 mln verandert evenmin. Contractonderzoek door publieke kennisinstellingen wordt uit de S&O-afdrachtvermindering gehaald. Voortaan worden alleen nog maar inhoudingsplichtigen die een onderneming drijven, aangemerkt als S&O-inhoudingsplichtige.

 

Gebruikelijkloonregeling

 

  • De huidige doelmatigheidsmarge van 30% in de gebruikelijkloonregeling voor directeuren-grootaandeelhouders (DGA's), als een zakelijk loon hoger is dan het wettelijk vastgestelde loon van € 44.000 (bedrag 2014), wordt verlaagd naar 25%. Voor 2015 is voorzien in overgangsrecht. Dit houdt in dat het loon van de DGA in 2015 wordt gesteld op 75/70e van het loon in 2013, als dit loon in 2013 hoger was dan € 43.000 (het standaardbedrag in 2013), tenzij aannemelijk is dat het loon in 2015 op grond van de gebruikelijkloonregeling op een hoger of lager bedrag moet worden gesteld. Mochten afspraken zijn gemaakt met de Belastingdienst over het gebruikelijk loon na 2014, dan zijn deze afspraken hierbij opgezegd.
  • Als hoofdregel geldt vanaf 2015 dat het in aanmerking te nemen loon ten minste wordt gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:

 

a. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
b. het hoogste loon van de overige werknemers van de vennootschap.
c. € 44.000.


Vervolgens heeft de inhoudingsplichtige de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat het in aanmerking te nemen loon op een lager bedrag moet worden gesteld. Dit kan als aannemelijk is dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is. Voor zover het loon met deze tegenbewijsmogelijkheid niet daalt onder de € 44.000, mag de inhoudingsplichtige rekening houden met de doelmatigheidsmarge.

 

  • Het begrip "soortgelijke dienstbetrekking" wordt vervangen door het nieuwe begrip "meest vergelijkbare dienstbetrekking".
  • Het loon van de DGA wordt minimaal gesteld op het hoogste loon van de overige werknemers die werken bij de vennootschap van de DGA of bij verbonden lichamen. Onder verbonden lichamen worden voortaan ook verstaan lichamen waaruit de inhoudingsplichtige met toepassing van de deelnemingsvrijstelling voordelen kan genieten. Ook voor de specifieke regeling voor situaties dat het gebruikelijk loon niet hoger is dan € 5.000, wordt voortaan aangesloten bij deze groep verbonden lichamen.

 

 

Levensloop

De onder het overgangsrecht vallende deelnemers aan een levensloopregeling die in 2013 geen gebruik hebben gemaakt van de in 2013 geldende regeling dat bij volledige opname van het levenslooptegoed slechts 80% werd belast, krijgen in 2015 eenmalig de gelegenheid om gebruik te maken van een 80%-regeling. Deze 80%-regeling zal ten hoogste gelden voor het bedrag van de aanspraken op 31 december 2013. Na toepassing van de 80%-regeling kan de belastingplichtige geen gebruik meer maken van het overgangsrecht, omdat het volledige tegoed moet worden opgenomen.

 

Werkkostenregeling

De sinds 1 januari 2011 bestaande werkkostenregeling (WKR) wordt met ingang van 1 januari 2015 verplicht voor alle werkgevers. De WKR wordt wel op vijf punten aangepast en om dat te financieren wordt de vrije ruimte met ingang van 2015 verlaagd van 1,5% naar 1,2%.

 

  • Beperkte introductie van het noodzakelijkheidscriterium. Het noodzakelijkheidscriterium is een open norm die ervan uitgaat dat wat een werkgever in het kader van zijn bedrijfsvoering aan voorzieningen noodzakelijk vindt, kan worden verstrekt aan de werknemer zonder fiscaal rekening te houden met het privévoordeel van de werknemer. Het noodzakelijkheidscriterium wordt voorlopig alleen geïntroduceerd voor gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur. In eerste instantie wordt de noodzakelijkheid aan de werkgever overgelaten, al wordt zijn oordeel geobjectiveerd met een redelijkheidstoets. Na drie jaar vindt een evaluatie van het noodzakelijkheidscriterium plaats.
  • Eenmalige toetsing vrije ruimte en jaarlijkse afrekening. Inhoudingsplichtigen hoeven voortaan nog maar één keer per jaar vast te stellen wat hun verschuldigde belasting in het kader van de WKR is. Hierdoor is het niet meer nodig om per aangiftetijdvak te toetsen of de vrije ruimte wordt overschreden. De eventueel verschuldigde belasting wordt afgedragen in het eerste aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar. Het blijft echter mogelijk om de belasting al eerder in gedeelten af te dragen.
  • Introductie concernregeling. De WKR kan op concernniveau worden toegepast door de introductie van de zogenoemde concernregeling. Als voorwaarde voor toepassing van de concernregeling geldt dat bij de moedermaatschappij sprake moet zijn van vrijwel volledige eigendom (95%-eis) van de (klein)dochtermaatschappij(en). De bij overschrijding van de gezamenlijke ruimte verschuldigde belasting moet worden aangegeven en afgedragen door het concernonderdeel met de grootste loonsom waarover loonbelasting is geheven. Bij de toepassing van de concernregeling zijn de betrokken werkgevers hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele door het concern verschuldigde belasting.
  • Gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten. De bestaande regeling voor personeelskorting onder het overgangsrecht wordt in de WKR voortgezet in de vorm van een gerichte vrijstelling.
  • Onderscheid vergoedingen/verstrekkingen/terbeschikkingstellingen vervalt. Er komt een nieuwe gerichte vrijstelling in de WKR voor een aantal werkplekgerelateerde voorzieningen waarvoor nu een nihilwaardering geldt. Daaronder vallen dan de ter beschikking gestelde, de anderszins verstrekte voorzieningen en de vergoede voorzieningen.

 

 

Omzetbelasting

 

Verlenging verlaagd BTW-tarief renovatie woningen

De tijdelijke toepassing van het verlaagde BTW-tarief op renovatie en herstel van woningen wordt verlengd tot 1 juli 2015. Het moet gaan om renovatie of herstel van woningen, die plaatsvindt meer dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming. Het verlaagde BTW-tarief geldt niet voor materialen die een deel vertegenwoordigen van de waarde van deze diensten.

 

BTW-vrijstelling ziekenhuizen

Ziekenhuizen en andere verplegings- en verzorgingstehuizen komen vanaf 2015 in aanmerking voor de BTW-vrijstelling, ook als zij winst beogen.

 

 

MRB en BPM

 

Gebruik taxatierapporten in BPM

Voor het vaststellen van het te betalen bedrag aan BPM bij de import van een gebruikte personenauto kan een belastingplichtige kiezen voor onder meer een taxatierapport. Om misbruik te voorkomen, wordt deze mogelijkheid beperkt tot voertuigen met meer dan normale gebruiksschade en voertuigen die niet voorkomen op koerslijsten. Een uitzondering geldt voor schadevoertuigen die niet langer deugdelijk van bouw en inrichting zijn. Verder wordt het mogelijk gemaakt om bij ministeriële regeling nadere voorwaarden te stellen aan een taxatierapport.

 

Auto's met dubbele cabine

Vanaf 2016 kwalificeert een motorrijtuig met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg en een dubbele cabine alleen als niet te zijn ingericht voor vervoer van personen, als de lengte van de niet voor personenvervoer ingerichte ruimte groter is dan of gelijk is aan de lengte van de voor personenvervoer ingerichte ruimte. Is dat niet het geval, dan is MRB en (bij aanschaf) BPM verschuldigd.

 

 

Milieubelastingen

 

Belasting op leidingwater

Het heffingsplafond van 300 m3 in de belasting op leidingwater wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2014 gehandhaafd. Daarmee wordt de invoering van een degressieve tarievenstructuur ongedaan gemaakt. Door middel van een besluit van 17 juni 2014 was al goedgekeurd dat de wettekst zoals die gold op 30 juni 2014, voor heel 2014 kon worden toegepast.

 

Afvalstoffenbelasting

De afvalstoffenbelasting wordt aangepast. Afval dat vanuit Nederland door bedrijven, gemeenten of particulieren wordt aangeboden om te storten of te verbranden, wordt belast. Het tarief bedraagt € 13 per ton afval.

 

Energiebelasting

 

  • De toepassing van het verlaagde tarief in de energiebelasting voor coöperaties en Verenigingen van eigenaren (VvE) die lokaal energie opwekken, wordt vanaf 2015 uitgebreid tot ondernemers. Daartoe vervallen de eis dat nagenoeg alle leden van de coöperatie of VvE particulieren moeten zijn en de beperking van de toepassing van het verlaagde tarief tot woningen. Als aanvullende eis wordt opgenomen dat een coöperatie of VvE niet voor aanwijzing in aanmerking komt als een ondernemer voor meer dan 20% in de coöperatie of VvE deelneemt.
  • De vrijstelling in de energiebelasting voor duurzame energie die zelf wordt opgewekt, bijvoorbeeld met zonnepanelen, en direct zelf wordt verbruikt, wordt uitgebreid naar de huursector. Dit betreft gevallen waarbij de duurzame elektriciteitsinstallatie is aangebracht op of aan de woning of het gebouw waar de woning deel van uitmaakt, zodat de installatie kan worden gezien als onderdeel van het te verhuren object. Om deze maatregel te financieren wordt de vaste belastingvermindering in de energiebelasting voor WOZ-objecten met verblijfsfunctie (nu € 318,62) verlaagd.
  • Ter compensatie van de budgettaire derving als gevolg van het arrest Fuchs van het EU-Hof van Justitie van 20 juni 2013, zal de vaste belastingvermindering in de energiebelasting voor WOZ-objecten met verblijfsfunctie (nu € 318,62) stapsgewijs worden verlaagd en de belastingvermindering voor WOZ-objecten zonder verblijfsfunctie (nu € 119,62) worden afgeschaft. Deze maatregel komt bovenop de maatregel voor de dekking voor de uitbreiding van de vrijstelling in de energiebelasting voor zelfopwekking naar de huursector.

 

 

 

Formeel en invordering

 

Belasting- en invorderingsrente

Naar aanleiding van het Irimie-arrest van het EU-Hof van Justitie van 18 april 2013 wordt de regeling invorderingsrente uitgebreid voor de gevallen waarin de belastingschuldige een recht krijgt op een terug te geven bedrag aan belasting omdat de heffing en inning van die belasting in strijd is met het EU-recht. De invorderingsrente wordt vergoed over het tijdvak dat aanvangt op de dag, volgend op de dag waarop de belasting is betaald of op aangifte is voldaan of afgedragen, en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling. Om dezelfde reden wordt de dividendbelasting onder de regeling belastingrente gebracht.

 

Eén bankrekeningnummer

Om de controle van de eenbankrekeningmaatregel voor de inkomstenbelasting en toeslagen efficiënter en effectiever te kunnen uitvoeren, wordt een informatieverplichting aan banken opgelegd in combinatie met de wettelijke bevoegdheid voor banken om burgerservicenummers in hun interne administratie te gebruiken. In verband met de Wet bescherming persoonsgegevens wordt dit geregeld in de Invorderingswet en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De informatieverplichting voor banken met betrekking tot de uitbetaling van toeslagen wordt opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Awir. De tenaamstellingsverplichting voor teruggaven BTW vervalt.

 

Uitbreiding bevoegdheid toezichthouders toeslagen

Toezichthouders voor toeslagen krijgen een binnentredingsbevoegdheid.

 

Versnelde invordering toeslagen

De Belastingdienst/Toeslagen krijgt de bevoegdheid tot versnelde invordering van toeslagen, de daarbij verschuldigde rente of het bedrag van de bestuurlijke boete in de toeslagensfeer. Versnelde invordering kan alleen in bijzondere situaties, zoals faillissement en vertrek naar het buitenland.

Ministerie van Financiën 16-9-2014, nr. AFP/2014/828

 

 

Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen

De belastingplicht voor de vennootschapsbelasting (Vpb) van overheidsondernemingen staat al langere tijd in de belangstelling in verband met de mogelijke concurrentieverstoring door de verschillen in behandeling tussen de activiteiten van publieke (veelal onbelaste) en private (belaste) ondernemingen. Niet alleen is deze Vpb-plicht vaak onderwerp van gesprek geweest in de Eerste en Tweede Kamer maar ook de Europese Commissie (EC) verricht al geruime tijd onderzoek naar mogelijke staatssteun. Met de inleiding van een formele procedure op 9 juli 2014 gaf de EC een duidelijk signaal af dat haast moet worden gemaakt met de modernisering van de Vpb-plicht voor overheidsondernemingen. De staatssecretaris heeft daarom op 16 september 2014 een wetsvoorstel tot modernisering van de Vpb-plicht van overheidsondernemingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Het is de bedoeling dat dit wetsvoorstel met ingang van 1 januari 2015 in werking treedt. Het zal voor het eerst gelden voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016. Het conceptwetsvoorstel was eerder aangeboden voor internetconsultatie.

 

 

1.    Belastingplicht

Het algemene uitgangspunt met betrekking tot de belastingplicht van directe en indirecte overheidsondernemingen wordt omgekeerd. Waar in de huidige situatie voor overheidsondernemingen geldt "niet belastingplichtig, tenzij" en het "tenzij" in de Wet Vpb is ingevuld met een lijst met belaste activiteiten en een lijst van met naam genoemde lichamen, geldt in het wetsvoorstel het uitgangspunt "belastingplichtig, tenzij" en is het "tenzij" ingevuld met verschillende vrijstellingen.

 

Belastingplicht directe overheidsondernemingen

Als belastingplichtige worden aangemerkt de in Nederland gevestigde publiekrechtelijke rechtspersonen, niet zijnde de Staat, voor zover zij een onderneming drijven. Door uit te gaan van het ondernemingsbegrip wordt op het punt van de belastingplicht aangesloten bij de belastingplicht voor stichtingen en verenigingen. Voor publiekrechtelijke rechtspersonen ontstaat belastingplicht in beginsel voor zover de activiteiten een (materiële) onderneming vormen in de zin van de Wet inkomstenbelasting (IB) 2001. Van het drijven van een onderneming is sprake als (1) door een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid (2) wordt deelgenomen aan het economische verkeer (3) met het oogmerk om daarmee winst te behalen, welke winst ook redelijkerwijs valt te verwachten. Met betrekking tot de duurzame organisatie van kapitaal en arbeid geldt voor bijvoorbeeld een dienstonderdeel van een publiekrechtelijke rechtspersoon dat activiteiten verricht, dat het dienstonderdeel op zodanige wijze is georganiseerd dat sprake is van een min of meer zelfstandige dienst die met eigen personeel (of toe te rekenen arbeid) en bedrijfsmiddelen een organisatie vormt. Met betrekking tot de deelname aan het economische verkeer moet het gaan om activiteiten die worden verricht buiten de eigen kring. Activiteiten die de publiekrechtelijke rechtspersoon verricht voor individuele afnemers, bijvoorbeeld het afgeven van identiteitsbewijzen, kunnen worden beschouwd als prestaties buiten de eigen kring, dus als deelname aan het economische verkeer. Er wordt niet deelgenomen aan het economische verkeer als een onderdeel van de publiekrechtelijke rechtspersoon (ondersteunende) activiteiten verricht voor andere onderdelen van de eigen organisatie. Bij het aanbieden van een zuiver collectief goed door de publiekrechtelijke rechtspersoon waar iedereen van profiteert, ongeacht of hij daar prijs op stelt, terwijl het profijt dat iemand van het goed heeft niet ten koste gaat van het profijt dat een ander hiervan kan hebben, wordt volgens het wetsvoorstel niet deelgenomen aan het economische verkeer, omdat geen sprake is van een individueel aanwijsbare afnemer aan wie een prestatie wordt geleverd. Bij activiteiten waarbij ook een individuele afnemer belang kan hebben, zoals bij het ophalen van huisvuil binnen de eigen gemeentegrenzen, is sprake van een overheidstaak. Volgens het kabinet vindt de uitoefening van deze overheidstaak niet plaats in het economische verkeer, als deze taak door de publiekrechtelijke rechtspersoon zelf wordt verricht. Tot slot geldt ten aanzien van de eis van het winstoogmerk dat dit in ieder geval wordt aangenomen als met de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid of overheidstaak structureel overschotten worden behaald. Als de publiekrechtelijke rechtspersoon activiteiten verricht voor individuele derden, waarvoor geen externe vergoedingen worden ontvangen, of waarvoor vanuit fiscale optiek een niet-kostendekkende vergoeding wordt ontvangen, wordt geen winstoogmerk aangenomen.

 

Als een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid deelneemt aan het economische verkeer maar geen winstoogmerk heeft, kan toch sprake zijn van het drijven van een onderneming voor de Vpb. Onder het drijven van een onderneming wordt mede verstaan een uiterlijk daarmee overeenkomende werkzaamheid waardoor in concurrentie wordt getreden met ondernemingen, gedreven door natuurlijke personen of door (belastingplichtige) lichamen. Lichamen die geen winst beogen, maar feitelijk wel winsten realiseren, zij het niet doorlopend, kunnen op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 4 van de Wet Vpb alsnog in de heffing worden betrokken. Als de publiekrechtelijke rechtspersoon werkzaamheden verricht ten koste van het debiet van (private) ondernemingen wordt concurrentie aangenomen. Wel moet bij het onderdeel van de publiekrechtelijke rechtspersoon dat de activiteiten verricht, een zekere mate van winstpotentie aanwezig zijn. Hiervan is in elk geval sprake als de resultaten van een zodanige omvang zijn dat een particulier er een bescheiden bestaan aan kan ontlenen.

 

De stappen die moeten worden doorlopen voordat kan worden vastgesteld of met betrekking tot een activiteit al dan niet sprake is van belastingplicht voor de publiekrechtelijke rechtspersoon kunnen schematisch als volgt worden weergeven:

 schema prinsjesdag special

 

 

Belastingplicht indirecte overheidslichamen

Met betrekking tot indirecte overheidsondernemingen geldt als uitgangspunt dat de belastingplicht dezelfde is als voor rechtspersonen die in private handen zijn. Bij een BV of NV is op grond van de rechtsvorm sprake van een integrale belastingplicht omdat deze geacht wordt met het gehele vermogen een onderneming te drijven. Bij een stichting of vereniging is sprake van belastingplicht voor zover een onderneming wordt gedreven.

 

Openingsbalans en totaalwinstbegrip

Publiekrechtelijke rechtspersonen die een onderneming drijven (directe overheidsondernemingen) en privaatrechtelijke overheidslichamen (indirecte overheidsondernemingen) die door dit wetsvoorstel belastingplichtig worden, moeten per het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2016 een openingsbalans opstellen. Voor directe overheidsondernemingen en stichtingen die volledig in handen zijn van publiekrechtelijke rechtspersonen, geldt daarbij dat eerst moet worden bepaald welke vermogensbestanddelen deel uitmaken van de onderneming. Voor de vraag of een vermogensbestanddeel tot het ondernemingsvermogen of niet-ondernemingsvermogen behoort, zijn de aard, functie en bestemming van het vermogensbestanddeel bepalend. Hiermee wordt aangesloten bij de vermogensetikettering zoals die al in de IB en Vpb bij stichtingen en verenigingen wordt toegepast. Voor de indirecte overheidsondernemingen in de vorm van een BV of NV geldt dat niet omdat die rechtsvormen bij wetsfictie met behulp van hun gehele vermogen een onderneming drijven. Op de openingsbalans moeten alle (tot de onderneming behorende) bezittingen en schulden staan voor de waarde in het economische verkeer. Uitgangspunt bij een overgang van de onbelaste naar de belaste sfeer is dat geen incidenteel fiscaal voor- of nadeel mag optreden die leidt tot een verstoring van de concurrentieverhoudingen. Voor niet-belastingplichtige lichamen die eerst geen onderneming dreven, maar dat op een later moment wel gaan doen en daardoor belastingplichtig worden, is op grond van jurisprudentie een goodwillverbod op de openingsbalans van de onderneming van toepassing. Dit geldt ook voor de situatie waarin een overheidsonderneming belastingplichtig wordt. De Wet Vpb bevat een specifiek waarderingsvoorschrift voor immateriële activa op de openingsbalans. Dit waarderingsvoorschrift geldt zowel voor de openingsbalans van directe als van indirecte overheidsondernemingen. Voor de bepaling van de totaalwinst van een directe overheidsonderneming geldt de hoofdregel dat de werkelijke opbrengsten en werkelijke kosten tot de winst behoren. Onder bijzondere omstandigheden wordt van deze hoofdregel afgeweken.

 

2.    Vrijstellingen

Voor zowel directe als indirecte overheidsondernemingen worden vier algemene vrijstellingen geïntroduceerd: (a) een vrijstelling voor interne activiteiten die naar haar aard alleen geldt voor directe overheidsondernemingen, (b) een vrijstelling voor "quasi-inbesteding" die alleen van belang is voor indirecte overheidsondernemingen, (c) een vrijstelling voor overheidstaken en (d) een vrijstelling voor samenwerkingsverbanden. De algemene vrijstellingen zijn vormgegeven als een zogenoemde objectvrijstelling en zijn, als aan de voorwaarden is voldaan, van rechtswege van toepassing op de vrij te stellen activiteiten die door een belastingplichtige worden verricht. Naast de algemene vrijstellingen komen er enige specifieke vrijstellingen voor onder meer academische ziekenhuizen en onderwijsinstellingen met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Zij kunnen geen aanspraak maken op de algemene vrijstellingen voor zover zij activiteiten verrichten waarvoor zij aanspraak kunnen maken op een specifieke vrijstelling. Ook gelden de algemene vrijstellingen niet voor het produceren, transporteren of leveren van gas, elektriciteit of warmte alsmede voor het aanleggen of beheren van netten of leidingen ten behoeve van het transport van gas, elektriciteit of warmte. Voor zover lichamen dergelijke activiteiten verrichten, zijn zij nu al belastingplichtig en het kabinet wil buiten twijfel stellen dat die situatie wordt gecontinueerd.

 

Algemene vrijstellingen

 

a.     Vrijstelling interne activiteiten

Als een onderdeel van een publiekrechtelijke rechtspersoon uitsluitend interne activiteiten voor (een ander onderdeel van) dezelfde publiekrechtelijke rechtspersoon verricht, is geen sprake van een onderneming omdat niet wordt deelgenomen aan het economische verkeer. Deze activiteiten vallen buiten de Vpb-plicht. Als het desbetreffende onderdeel naast de interne activiteiten, met dezelfde personen en activa, ook activiteiten ten behoeve van derden verricht, wordt wel deelgenomen aan het economische verkeer. Als daarnaast ook een winststreven aanwezig is, kan Vpb-plicht voor het geheel ontstaan. Om dit te voorkomen is een vrijstelling geïntroduceerd voor interne activiteiten, zodat de met de interne activiteiten behaalde winst niet wordt betrokken in de belastingheffing. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze vrijstelling alleen relevantie heeft als een onderdeel van een publiekrechtelijke rechtspersoon naast de interne activiteiten ook activiteiten aan derden verricht. Als dat laatste niet het geval is, is geen sprake van een onderneming en wordt niet toegekomen aan de toepassing van deze vrijstelling.

 

b. Vrijstelling uitoefening overheidstaken of publiekrechtelijke bevoegdheden

Een tweede vrijstelling betreft de vrijstelling voor winst uit activiteiten met betrekking tot de uitoefening van overheidstaken of publiekrechtelijke bevoegdheden. Of sprake is van een overheidstaak of een publiekrechtelijke bevoegdheid is niet altijd duidelijk. Als een taak bij (Grond)wet is opgelegd, is in ieder geval sprake van een overheidstaak. Verder kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat sprake is van een overheidstaak als voor de toepassing van de Wet omzetbelasting wordt gehandeld "als overheid" (omgekeerd hoeft dat overigens niet het geval te zijn). Bij activiteiten als de afgifte van identiteitsbewijzen, het voltrekken van huwelijken, de afgifte van vergunningen en ontheffingen, maar ook het innen van marktgelden en het innen van parkeerbelasting voor parkeren op de openbare weg, is er wel sprake van deelname aan het economische verkeer. Als hiermee overschotten worden behaald, kan er sprake zijn van het drijven van een onderneming in fiscaalrechtelijke zin. Voor zover met deze activiteiten niet in concurrentie wordt getreden met private partijen is de vrijstelling in beginsel van rechtswege van toepassing. Deze vrijstelling geldt niet als met de uitoefening van een overheidstaak of publiekrechtelijke bevoegdheid in concurrentie wordt getreden met private partijen. Of van een concurrerende overheidstaak sprake is, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Voorbeelden van overheidstaken waarmee mogelijk in concurrentie wordt getreden, zijn: leerlingenvervoer, re-integratie in het kader van sociale werkvoorziening, crematoria, exploitatie van vastgoed, waaronder de exploitatie van sporthallen en zwembaden, het aanbieden van cursussen, alsmede vervoer.

 

c. Vrijstelling voor "quasi-inbesteding"

De derde vrijstelling houdt verband met de zogenoemde "quasi-inbesteding". Daarvan is sprake als een publiekrechtelijke rechtspersoon een activiteit niet aan de markt uitbesteedt, maar in wezen nog steeds zelf doet, zij het in een afzonderlijk privaatrechtelijk lichaam. Het maakt door deze vrijstelling niet uit of een (veelal) ondersteunende activiteit ten behoeve van de publiekrechtelijke rechtspersoon intern wordt gehouden ("inbesteding") of wordt ondergebracht in een volledig door een publiekrechtelijke rechtspersoon middellijk of onmiddellijk beheerst privaatrechtelijk overheidslichaam ("quasi-inbesteding").

 

d. Samenwerkingsvrijstelling

De vierde vrijstelling geldt voor samenwerkingsverbanden tussen publiekrechtelijke rechtspersonen en/of privaatrechtelijke overheidslichamen. Deze vrijstelling moet voorkomen dat de voordelen die worden behaald met de activiteiten die door het samenwerkingsverband worden verricht, in de Vpb-heffing worden betrokken, terwijl de desbetreffende activiteiten niet zouden zijn belast of zouden zijn vrijgesteld als geen sprake zou zijn van samenwerking en elk van de overheden de activiteiten zelf zou hebben uitgevoerd. De vrijstelling geldt voor alle samenwerkingsvormen. De vrijstelling is van toepassing als is voldaan aan drie cumulatief geldende voorwaarden. Allereerst moeten de activiteiten van het samenwerkingsverband worden verricht voor (a) onmiddellijk of middellijk participerende publiekrechtelijke rechtspersonen, (b) onmiddellijk of middellijk participerende privaatrechtelijke overheidslichamen of (c) niet-participerende privaatrechtelijke overheidslichamen van participerende publiekrechtelijke rechtspersoon. In de tweede plaats moet worden bezien of de activiteiten bij de participanten die in het samenwerkingsverband deelnemen, niet zouden hebben geleid tot belastingplicht of zouden zijn vrijgesteld als zij de activiteiten zelf zouden hebben verricht. Dit betekent dat de vrijstelling openstaat voor activiteiten die bij een participant niet zouden zijn aangemerkt als onderneming of die bij de participant zouden zijn vrijgesteld op grond van de vrijstelling voor interne activiteiten, voor overheidstaken waarmee niet in concurrentie wordt getreden of voor "quasi-inbesteding". Tot slot moeten de participanten naar evenredigheid van de afname van de activiteiten van het samenwerkingsverband bijdragen in de kosten van het samenwerkingsverband.

 

Specifieke vrijstellingen

Naast de hiervoor genoemde algemene vrijstellingen zijn er ook enkele specifieke vrijstellingen. Het gaat om een vrijstelling voor (a) academische ziekenhuizen, (b) bekostigd onderwijs en onderzoek en (c) zeehavenbeheerders.

 

a. Vrijstelling academische ziekenhuizen

Voor belastingplichtigen die werkzaamheden verrichten als academisch ziekenhuis is in dit wetsvoorstel een vrijstelling opgenomen. Als de werkzaamheden van een belastingplichtige uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (voor 90% of meer) bestaan uit het verrichten van werkzaamheden als academisch ziekenhuis is op het lichaam van rechtswege een subjectvrijstelling van toepassing. In dat geval is het lichaam vrijgesteld van Vpb. Als de werkzaamheden van een belastingplichtige niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (voor minder dan 90%) bestaan uit het verrichten van werkzaamheden als academisch ziekenhuis geldt van rechtswege een objectvrijstelling. In het wetsvoorstel wordt voor bepaalde lichamen waarop deze vrijstelling van toepassing is, de mogelijkheid opengehouden om een zogenoemde winstklem in te voeren. Hierdoor kan worden bereikt dat vrijgestelde winst niet kan worden aangewend voor andere activiteiten dan vrij te stellen activiteiten.

 

b. Vrijstelling bekostigd onderwijs en onderzoek

Er komt een onderwijs- en onderzoeksvrijstelling die van rechtswege van toepassing is als de activiteiten van de belastingplichtige uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (voor 90% of meer) bestaan uit bekostigde onderwijs- of onderzoeksactiviteiten. Van vrij te stellen bekostigde onderwijs- of onderzoeksactiviteiten is sprake als het onderwijs of het onderzoek hoofdzakelijk (voor 70% of meer) wordt bekostigd door publieke middelen, uit wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld, uit wettelijk lesgeld of uit bijdragen die worden ontvangen van algemeen nut beogende instellingen (ANBI's) waarvoor geen of een marginale contractuele tegenprestatie wordt gevraagd. In dit geval is het subject van heffing vrijgesteld, waardoor de gehele winst van de belastingplichtige is vrijgesteld (ook de resultaten die worden behaald door middel van andere activiteiten, zoals onderwijs- en onderzoeksactiviteiten die niet voor ten minste 70% worden bekostigd met publieke middelen, uit wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld, uit wettelijk lesgeld of uit bijdragen die worden ontvangen van ANBI's waarvoor geen of een marginale contractuele tegenprestatie wordt gevraagd). In het wetsvoorstel wordt voor bepaalde lichamen die onderwijs geven of onderzoek verrichten, de mogelijkheid opengehouden om een zogenoemde winstklem in te voeren. Als minder dan 90% van de activiteiten van de belastingplichtige bestaat uit bekostigde onderwijs- of onderzoeksactiviteiten, waarbij de bekostiging door publieke middelen, uit wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld, uit wettelijk lesgeld of uit bijdragen die worden ontvangen van ANBI's waarvoor geen of een marginale contractuele tegenprestatie wordt gevraagd ten minste 70% bedraagt van de totale bekostiging, wordt het resultaat uit die onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van rechtswege vrijgesteld. Dit betreft een objectvrijstelling. In dat geval wordt alleen het resultaat uit andere activiteiten, zoals onderwijs- en onderzoeksactiviteiten die niet voor ten minste 70% worden bekostigd met publieke middelen of door wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld in de heffing betrokken.

 

c. Vrijstelling zeehavenbeheerders

Ten slotte wordt in dit wetsvoorstel voorzien in een tijdelijke vrijstelling voor vijf met naam genoemde indirecte overheidsondernemingen en één met naam genoemde directe overheidsonderneming. Het gaat om Groningen Seaports NV, Havenbedrijf Amsterdam NV, Havenbedrijf Rotterdam NV, Havenschap Moerdijk, NV Port of Den Helder en Zeeland Seaports NV. In verband met de vragen van de EC van 9 juli 2014 over de wijze waarop met zeehavens wordt omgegaan en het door de EC gestelde doel van een gelijk Europees speelveld, vervalt de uitzonderingspositie voor de zes genoemde havenondernemingen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vallen zij daarna ook onder het reguliere systeem voor overheidsondernemingen.

Ministerie van Financiën 12-9-2014, nr. DB/2014/376U

 

Ambities voor een beter belastingstelsel

De staatssecretaris heeft de brief "Keuzes voor een beter belastingstelsel" aangeboden aan de Tweede Kamer. Hij licht in deze brief de ambities toe die het kabinet heeft met een herziening van het belastingstelsel, schetst de inhoudelijke bewegingen naar een toekomstig stelsel en doet een voorstel voor het politieke proces. Het is de bedoeling om deze kabinetsperiode de eerste stappen te zetten met de invoering van een aantal maatregelen. Voor de overige onderdelen van de stelselherziening moet de aangegeven richting eerst worden vertaald in concrete maatregelen. De invoering daarvan is volgens de staatssecretaris ook afhankelijk van de beschikbaarheid van ruimte voor lastenverlaging. Als die ruimte er is, wordt overgegaan tot implementatie.

 

1.      Doelen: minder complexiteit en meer banen

De grenzen van wat nog op een maatschappelijk aanvaardbare manier uitvoerbaar is, zijn volgens de staatssecretaris in de huidige wet- en regelgeving overschreden. Als de trend van steeds meer en steeds complexere wet- en regelgeving niet wordt gekeerd, nemen fraude en het aantal uitvoeringsincidenten volgens de bewindsman verder toe. Dit zorgt voor financiële hinder bij huishoudens, een erosie van het vertrouwen in de Belastingdienst en de overheid en mogelijk ook aantasting van de belastingmoraal. De komende jaren moet het stelsel eenvoudiger worden. Een aantal eerste stevige stappen - op de terreinen van toeslagen en autobelastingen - kunnen volgens de staatssecretaris al sneller worden gezet. Verder moet een herziening van het fiscaal stelsel een wezenlijke bijdrage leveren aan meer werkgelegenheid en economische groei. Meer werkgelegenheid en economische groei vragen om lagere lasten op arbeid en ondernemen. De wig, het verschil tussen de loonkosten voor de werkgever en het nettoloon dat de werknemer overhoudt, zou omlaag moeten. Verder wil het kabinet dat ons vestigingsklimaat een banenmachine blijft. Daarin past volgens de staatssecretaris dat Nederland actief meedoet met de internationale jacht op belastingontwijkers en passende maatregelen neemt in internationaal verband, en ook dat het fiscale vestigingsklimaat voor substantiële activiteiten actief wordt verbeterd met lagere lasten voor ondernemers. Het kabinet kijkt hiervoor ook naar de vennootschapsbelasting om, zonder internationaal uit de pas te lopen, Nederland aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats voor nieuwe bedrijfsactiviteiten. Daarmee is het volgens de staatssecretaris van belang om het stelsel steeds te blijven aanpassen aan internationale maatschappelijke ontwikkelingen, of dat nu gaat om het tegengaan van belastingontwijking, de digitalisering van de economie of de strijd om talent.

 

Het kabinet wil de woningmarkt in deze stelselherziening overigens niet opnieuw met hervormingen confronteren. Verder is op de pensioenmarkt het herziene Witteveenkader nog niet eens geïmplementeerd en staat de brede pensioendiscussie voor de deur. Ook hier is plannenmakerij volgens de staatssecretaris voorbarig.

 

2.      Keuzes voor een toekomstig stelsel

De staatssecretaris geeft in zijn brief de volgende acht mogelijke keuzes:

·         Vereenvoudigen van de meest complexe regelingen.

·         Borgen van de toekomstige uitvoering van wet- en regelgeving.

·         Fiscale stimulering van ondernemers richten op innovatie en doorgroei.

·         Belastingdruk bij particulieren beter spreiden over de levensloop.

·         Verlagen van tarieven door snoeien in aftrekposten.

·         Verschuiven van belastingdruk van arbeid en ondernemen naar consumptie.

·         Verschuiven van belastingdruk van arbeid en ondernemen naar duurzaamheid.

·         Uitbreiden van het gemeentelijk belastinggebied.

 

 

a.      Toeslagen

Voor de kinderopvangtoeslag wordt gewerkt aan een rechtstreekse bekostiging van instellingen op basis van vastgesteld inkomen van de ouders. De inkomensondersteuning blijft op peil, maar komt direct bij de instelling terecht. Dat zou het aantal ontvangers van deze toeslag met 99% terugbrengen. De komende maanden wordt dit model op uitvoerbaarheid getoetst, waarna de definitieve afweging wordt gemaakt. Verder wordt het aantal ontvangers van zorgtoeslag in 2015 verminderd met opnieuw 500.000 huishoudens naar 4,2 mln huishoudens. Een verdere vermindering zou onaanvaardbare inkomenseffecten meebrengen. Daarom bekijkt het kabinet hoe deze ambitie kan worden meegenomen in de brede stelselherziening.

 

b.      Autobelastingen

Het Nederlandse systeem van autobelastingen behoort volgens de staatssecretaris tot de meest complexe ter wereld en de jaarlijkse veranderingen in dit complexe systeem zijn voor de Belastingdienst inmiddels bijna niet meer uitvoerbaar. Ook zijn sinds de introductie van de CO2-prikkels in het systeem van de autobelastingen de belastinginkomsten onbedoeld sterk verminderd. Het kabinet is van plan het stelsel van autobelastingen te vereenvoudigen, waarbij de totale in de huidige wetgeving vastgelegde lasten in het autodomein niet worden verhoogd. De staatssecretaris zal hiervoor in de Autobrief met uitgewerkte voorstellen komen. Ook in het komende decennium blijven volgens de staatssecretaris wel fiscale prikkels nodig om aan te zetten tot duurzaam en elektrisch autorijden.

 

c.      Andere mogelijke maatregelen

Een aantal mogelijke maatregelen zal de komende periode beleidsmatig worden gewogen, waarna mogelijk wetgeving wordt voorbereid met het oog op implementatie per 2016. De staatssecretaris denkt hierbij aan het verhogen van de aanslaggrenzen, het gedeeltelijk uit de loonbelasting halen van de DGA, het schrappen van de middelingsregeling en het vereenvoudigen van het pensioen in eigen beheer. Ook onderzoekt de staatssecretaris of een integratie van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk en de Research en Development Aftrek haalbaar is en of het mogelijk is om de grote hoeveelheid beschikkingen in het stelsel te beperken. Daarnaast kijkt hij naar mogelijkheden om het aantal bezwaarschriften te beperken, bijvoorbeeld door de bezwaarfase te reserveren voor echte geschillen. Verder heeft het kabinet het voornemen om het instrumentarium van fiscale faciliteiten voor ondernemers beter te richten op echt ondernemerschap en doorgroei. Door een aanpassing van het fiscaal instrumentarium en lagere lasten op arbeid en ondernemerschap, moet echt ondernemerschap in Nederland een extra duw in de rug krijgen. Op termijn is volgens de staatssecretaris een verschuiving van lasten op arbeid en ondernemen naar de BTW een haalbare mogelijkheid. Daarbij past dan ook een actief pleidooi binnen de EU voor minder vrijstellingen. Ook zal het kabinet in 2015 een inventarisatie opstellen van de kansen en belemmeringen van een Europese vergroeningsagenda tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU. Hierbij worden vanuit de fiscaliteit voorstellen van de Europese Commissie betrokken over het belasten van brandstoffen en energieproducten en over de transitie naar een circulaire economie. Verder zal de staatssecretaris alternatieven voor de vermogensrendementsheffing onderzoeken, met het doel hierover een nadere afweging te maken.

 

Ministerie van Financiën 16-9-2014, nr. AFP/2014/780


Bron: RB prinsjesdagspecial 2014

arrow
Bosma & Boonstra volgen: facebook twitter linkedin
Home | Lelycampers DE | Actueel | Prinsjesdagspecial 2014
Bosma & Boonstra | MiracleWeb 3.0